sluiten
Ik ben Ritske Dankert: adviseur op het brede veld van het wonen bij Companen. Daarnaast werk ik aan een proefschrift over de implementatie van beleid. Ik woon in Nijmegen.

- Wat ik doe en heb gedaan -> Curriculum Vitae; Profiel.
- Mijn artikelen, rapporten en presentaties -> Publicaties.
- Alles over bevolkingsdaling, implementatie en actor-netwerk theorie -> Dossiers.
- Stuur me een e-mail -> Contact.
Wie ben ik?
Voor- en nadelen van ontwikkelingsplanologie - 3. Nadelen van ontwikkelingsplanologie
Onderwerp index
Voor- en nadelen van ontwikkelingsplanologie
1. Inleiding
2. Voordelen van ontwikkelingsplanologie
3. Nadelen van ontwikkelingsplanologie
4. Conclusie en discussie
Literatuur
Alle pagina's

 

3. Nadelen van ontwikkelingsplanologie

 

Naast voordelen brengt ontwikkelingsplanologie ook nadelen met zich mee. In dit hoofdstuk zullen deze nadelen besproken worden. Als eerste wordt besproken hoe een ruimtelijk project als een kaartenhuis in elkaar kan storten indien één van de betrokken actoren er het bijltje bij neergooit. In de tweede paragraaf wordt ingegaan nieuwe regelgeving en bureaucratie die met ontwikkelingsplanologie gepaard kunnen gaan. Vervolgens wordt ingezoomd op de nadelen van draagvlakverwerving. Het verwerven van draagvlak speelt vaak een grote rol bij ontwikkelingsplanologie. In de vierde paragraaf wordt ingegaan op het gebrek aan strategisch kader bij veel gebiedsgerichte projecten. Ook komt rechtsongelijkheid als probleem naar voren. Ten slotte wordt ingegaan op het gevaar van blindstaren op het nieuwe paradigma van ontwikkelingsplanning. 

3.1 Het kaartenhuis 

Bij ontwikkelingsplanologie wordt over het algemeen met meerdere partijen aan een project gewerkt. Het is niet moeilijk om te concluderen dat wanneer één van de actoren zich halverwege uit een project terugtrekt het plan als geheel als een kaartenhuis ineen kan storten. Een voorbeeld daarvan is het Groen en Waterplan IJmond (Directoraat Generaal Ruimte, 2003). Dit plan heeft tot doel de natuurwaarden en de recreatieve aantrekkelijkheid van het duingebied te vergroten. Dit doel is betaalbaar gemaakt door het op te nemen in een integraal plan waarin ook de aan te leggen westelijk randweg Beverwijk, de herstructurering van het industriegebied van Corus en de herontwikkeling van het stationsgebied van Beverwijk deel uitmaken. Het moge duidelijk zijn dat als een actor als Corus of NS Vastgoed niet meer met zo'n integraal plan meedoet de betaalbaarheid van het duinplan wederom onder druk komt te staan. 

3.2 Nieuwe regels en bureaucratie 

Zoals beschreven is ontwikkelingsplanologie vaak gebiedsgericht. Dat betekent niet alleen dat voor elk gebied een aanpak op maat gemaakt kan worden, maar ook dat dit de bijbehorende bureaucratie met zich meebrengt. Hoewel het ministerie van VROM onder de vlag van ontwikkelingsplanologie ook naar minder regels wil (VROM, 2004), zijn er ook gevallen waarbij ontwikkelingsplanologie kan zorgen voor een noodzaak tot extra wetten en bureaucratie. Een voorbeeld daarvan is de zogenaamde Rotterdamwet. Deze wet vloeit voort uit de gebiedsgerichte aanpak voor met name de oude wijken van Rotterdam. In Rotterdam wordt door de politiek een dermate van het generieke beleid afwijkend beleid voorgestaan, dat dit niet binnen de huidige wetgeving mogelijk is. Een onderdeel van de Rotterdamwet zou het weren van kansarmen moeten worden (Volkskrant, 2004). Dit kan alleen worden bereikt met nieuwe regels. Het generiek verruimen van de regels is in dit geval minder aantrekkelijk omdat het dan voor Rotterdam zijn effect zal verliezen. Als iedereen kansarmen mag en gaat weren schiet Rotterdam er immers niets mee op.  

3.3 Nadelen van draagvlak 

Bij omgevingsplanning is het creëren van draagvlak onder de betrokken actoren van belang (vgl. De Roo en Schwartz, 2001a). De auteurs constateren een toenemende behoefte aan het creëren van probleemgerelateerd draagvlak voor gebiedsgerichte projecten. Zij zien dit als één van de kanttekeningen die bij omgevingsplanning kunnen worden gemaakt (Schwartz en De Roo, 2001b).  Ondanks de in het vorige hoofdstuk genoemde voordelen van draagvlak ziet Woltjer (1997) veel nadelen in een op het creëren van draagvlak gerichte planning. Volgens hem zijn die nadelen er op een aantal gebieden. Eén van die onderdelen is het betrekken van andere actoren dan de overheid bij de plannen. Volgens Woltjer gebeurt dit vaak selectief. Niet elke organisatie draagt evenveel aan een project mee, en vele organisaties doen helemaal niet mee met de planvorming. Een gevolg van het werken met meerdere actoren is bovendien dat er een verschuiving optreedt van aandacht voor het algemeen belang, indien de overheid alleen plant, naar aandacht voor het gezamenlijke belang van de samenwerkende partijen. Verder constateert Woltjer op basis van praktijkvoorbeelden op het gebied van infrastructuurplanning dat er een wisselende bereidheid onder actoren is om aan een planningsproces mee te doen. Tot slot is ook het wettelijk kader van de inspraak een struikelblok. Bij inspraak hebben vooral tegenstanders van projecten de mogelijkheid hun zegje te doen. Voorstanders van projecten hebben vaak te maken met een grotere onzekerheid en minder middelen om hun stem te laten horen, aldus Woltjer (1997).  Een tweede gebied waarop de keerzijde van het draagvlak zich laat gelden is de complexiteit van ruimtelijke projecten. Woltjer (1997) constateert dat het planningsproces wordt gevolgd door relatief grote aantallen participanten. Dat kost niet alleen veel tijd en geld, maar zorgt er ook voor dat een project minder goed (door de overheid) gestuurd kan worden.  Het gebrek aan cohesie is een derde punt waarop Woltjer de zoektocht naar draagvlak aanvalt. Woltjer signaleert bij veel actoren veel nadruk op de korte termijn. Vaak voelen organisaties en individuen zich ook slechts betrokken wanneer het over de eigen achtertuin gaat waarbij individuele belangen in het geding komen.  Ten vierde ziet Woltjer dat professionele kennis ondergesneeuwd raakt als er slechts aandacht is voor het verwerven van draagvlak. De overheid kan volgens hem dan ook besluiteloos overkomen als er teveel aan andere actoren wordt overgelaten.  Een laatste kritiekpunt van Woltjer wat betreft draagvlakverwerving heeft is dat het kan leiden tot uniformiteit in de procedures. Volgens hem zullen uniforme procedures ertoe leiden dat de vorm belangrijker wordt dan de inhoud van een proces. Volgens Woltjer moet het juist zo zijn dat de bij draagvlakverwerving de vorm de inhoud volgt. 

3.4 Strategische onderbouwing 

Een ander probleem bij gebiedsgerichte projecten is het gebrek aan strategische onderbouwing (Schwartz en De Roo, 2001b). Wanneer voor een bepaald gebied een plan wordt gemaakt, wordt te weinig gekeken naar het grotere geheel. Ook Woltjer (1997) levert deze kritiek, die volgens hem samenhangt met het eerder genoemde nadeel van de draagvlakverwerving. Als actoren zich slechts met één project bemoeien, bestaat de kans dat men de strategische kaders zoals de Nota Ruimte uit het oog verliest. Een mooi voorbeeld van bovenstaande is het toestaan van de provincie Groningen van de bouw van 46 chalets in de buurt van het megaproject Blauwe Stad in Oost-Groningen (Dagblad van het Noorden, 2004). Met het toestaan van de chalets wijkt de provincie af van het Provinciaal Omgevingsplan omwille van argumenten die betrekking hebben op het project Blauwe Stad. Omdat de provincie er vanuit gaat dat de bouw van de chalets een positieve bijdrage aan het project Blauwe Stad kan hebben, veronachtzaamt men de strategische plannen op provinciaal niveau. 

3.5 Rechtsongelijkheid 

In geval van generiek beleid weten organisaties en individuen waar men aan toe is. Bij gebiedsgericht beleid kan echter een situatie ontstaan waarbij er per gebied verschillende maatregelen worden genomen en andere voordelen voor organisaties en individuen kunnen gelden. Een voorbeeld daarvan is de eerder genoemde inkomenseis waarmee de gemeente Rotterdam in achterstandswijken experimenteert (Volkskrant, 2004). Mensen met een minimuminkomen krijgen zo minder keuzevrijheid dan mensen met hogere inkomens.  Ook bij het bovengenoemde voorbeeld van de Blauwe Stad speelt het probleem van rechtsongelijkheid. Een ondernemer die op 15 kilometer afstand van de Blauwe Stad chalets wil bouwen krijgt nul op het rekest bij de provincie. Een aanvraag van iemand die dichterbij zijn camping heeft opgezet wordt echter wel gehonoreerd.  

3.6 Blind staren op een nieuw paradigma? 

Wanneer een bepaalde manier van wetenschapsontwikkeling niet meer voldoet kan na een korte periode van revolutionaire wetenschap een nieuw paradigma ontstaan (Kuhn, 1970). Indien toelatingsplanologie tegenover ontwikkelingsplanologie wordt geplaatst kan de laatste vorm van planologie worden gezien als het nieuwe paradigma wat het oude toelatingsplanologie vervangt. Het gevaar van deze manier van kijken is dat men zich blind staart op het nieuwe paradigma en toelatingsplanologie als gepasseerd station zou kunnen beschouwen. Gelukkig wordt in de literatuur over ontwikkelingsplanologie al op dit probleem gewezen. Schwartz en De Roo (2001b) stellen bijvoorbeeld dat ontwikkelingsplanologie niet alleen als vervanging van generiek beleid wordt toegepast, maar ook naast en ter aanvulling op dat generieke beleid. Het ministerie van VROM (2003) ziet het begrip ontwikkelingsplanologie op zichzelf zelfs als een combinatie van de ontwikkelingsplanologie zoals die door De Roo en Schwartz (2001a) wordt gedefinieerd, en het strategische beleid dat voor het grotere schaalniveau geldt. 



 
Delen |

Meer informatie

Voor meer informatie ben ik via e-mail te bereiken.

Dossiers van Ritske Dankert

Curriculum Vitae van Ritske Dankert: een planoloog met brede blik

Profiel van Ritske Dankert