Casestudie onderzoek met interviews en documentenstudie
In mijn promotieonderzoek heb ik gebruik gemaakt van interviews en documentenstudie om vier cases in kaart te brengen. Hier heb ik bovendien de Actor-Netwerk Theorie als inspiratiebron gebruikt. In het proefschrift heb ik de onderzoeksmethode bewust vrij gedetailleerd beschreven. In het stuk hieronder doorloop ik alle stappen die komen kijken bij het kwalitatieve onderzoek dat ik heb gedaan. Een bron van informatie voor iedereen die overweegt casestudies te doen en/of met Actor-Netwerk Theorie te werken. Achtereenvolgens behandel ik op deze pagina de keuze voor kwalitatief onderzoek, het werken met Actor-Netwerk Theorie, de afbakening en selectie van de cases, de dataverzameling binnen de cases (documentenstudie en interviews), het beschrijven van de cases en tot slot analytische generalisatie van de resultaten.
Kiezen voor kwalitatief onderzoek
Het doel van mijn promotieonderzoek is een bijdrage te leveren aan het ontwikkelen van alternatieven voor de top-down en bottom-up benaderingen van beleidsimplementatie. Daarnaast wil ik handvatten ontwikkelen voor de implementatie van beleid in de praktijk, in de eerste plaats bij woningcorporaties. De centrale vraag die voor dit doel beantwoord moet worden is: Op welke wijze verloopt het implementatieproces van strategisch voorraadbeleid bij woningcorporaties, en op welke wijze kan dit proces zodanig worden verbeterd, dat zowel het voorgenomen beleid als nieuwe ontwikkelingen en veranderende inzichten daarin een plek krijgen? Dit is een tamelijk open vraag, die in de eerste plaats vraagt naar het ‘hoe’ van implementatie. Daarom is het nuttig om als eerste stap met open vizier en stap voor stap de huidige implementatiepraktijk te ontrafelen. Dit kan door middel van casestudies.
Vanwege de complexiteit van uitvoeringsprocessen is de casestudie in dit vakgebied de meest gebruikte methode (Yin, 1982:40; O’Toole, 2000:269). Implementatie wordt bekeken als een (langlopend) proces in de tijd. Veel verschillende variabelen spelen hierbij een rol. Een deel daarvan maakt bovendien niet direct een onderdeel uit van de cases, maar heeft er wel invloed op (Yanow, 1996). Het voordeel van een aanpak met casestudies is dat de diepgang van het onderzoek vergroot kan worden. Het nadeel bij dit voordeel is echter dat binnen de tijd die voor mijn onderzoek beschikbaar is, slechts een beperkt aantal cases kan worden onderzocht. Dit brengt vragen met zich mee over de mate waarin de resultaten van het onderzoek in aanmerking komen voor generalisatie.
In het verleden is implementatieonderzoek bekritiseerd vanwege het hoge percentage studies dat met casestudies als onderzoeksmethode wordt uitgevoerd (vgl. Goggin, 1986). Goggin et al. (1990:17-19) hebben gepleit voor een, in hun woorden, meer wetenschappelijke en systematische aanpak. Hierbij zouden kwantitatieve methoden een grotere rol moeten spelen. Flyvbjerg (2007) wijst daarentegen op de voordelen die cases bieden. Allereerst gaat hij daarbij in op de waarde van de concrete, praktische en contextafhankelijke informatie die in cases wordt verkregen. Voor de ontwikkeling van sociaal-wetenschappelijke theorie is diepgaande kennis nodig die alleen via casestudies kan worden verkregen (Flyvbjerg, 2007:392). Ook laat hij zien dat een beperkt aantal cases, indien goed geselecteerd, te generaliseren is naar een breder toepassingsbereik. De kritiek dat cases door onderzoekers gemakkelijk kunnen worden misbruikt om hun eigen hypothesen te onderstrepen gaat volgens Flyvbjerg niet op. Uit de literatuur blijkt dat eerder het omgekeerde het geval is. Door de diepgaande aanpak bij cases komen onderzoekers relatief vaak tot de conclusie dat hun eigen beelden niet kloppen met de gevonden data (ibid.:399).
Ondanks de nuanceringen van Flyvbjerg is case-onderzoek niet zonder problemen. In het onderstaande ga ik verder in op de manier waarop het onderzoek in mijn proefschrift is vormgegeven en de manier waarop ik ben omgegaan met mogelijke problemen van het onderzoeksdesign.
Actor-Netwerk Theorie
De onderzoeksmethode binnen de cases is voor een groot deel gebaseerd op methoden uit de Actor-Netwerk Theorie (ANT). ANT is ontwikkeld binnen het vakgebied van de wetenschapsstudies (vgl. Latour, 1987). Inmiddels wordt ANT op verschillende manieren betrokken in onderzoek in een groot aantal wetenschapsgebieden, waaronder ook onderzoek op het gebied van volkshuisvesting (Cowan en Carr, 2008; Gabriels en Jacobs, 2008; Cowan, Morgan en McDermont, 2009). ANT kenmerkt zich door een focus op het werk dat betrokkenen doen om een netwerk van mensen en dingen tot stand te brengen en bij elkaar te houden (Latour, 2005). De theorie geeft handreikingen om tijdens het onderzoek dicht bij het onderzoeksobject te blijven. Vooroordelen en veronderstellingen die een verstorende werking kunnen hebben, worden door ANT zichtbaar gemaakt, zodat ze zoveel mogelijk vermeden kunnen worden. Door het onderzoeksdesign te baseren op de lessen van ANT wordt voorkomen dat al voorafgaand aan het onderzoek een – al dan niet expliciete – keuze wordt gemaakt tussen top-down en bottom-up theorieën. Daardoor ontstaat ruimte om te zoeken naar synthesen die meer zijn dan slechts een tussenvorm van die twee benaderingswijzen. Zo’n synthese ontstaat in de eerste plaats vanuit de casestudies. De kernbegrippen van ANT maken de ruimte om de betrokkenen bij de onderzochte uitvoeringsprocessen zelf te laten vertellen over wat zij hebben gedaan. ANT kan om deze reden ook worden aangeduid als een negatieve theorie (ibid., 2005:105). Het gaat vooral over welke vooroordelen en veronderstellingen niet kloppen, in plaats van dat het iets zegt over hoe de wereld er dan wel uitziet. De betekenis van ANT voor mijn onderzoek wordt hieronder neergezet in drie thema’s: de focus op netwerken, de overeenkomsten tussen mensen en dingen, en het volgen van de betrokkenen.
Focus op netwerken
Een belangrijk onderdeel van ANT is de focus op netwerken (Law, 1992; Czarniawska, 2004b, 2008; Latour, 2005). Elke sociale en technische entiteit kan volgens ANT als een netwerk worden beschouwd. Zulke netwerken bestaan niet zomaar, maar moeten voortdurend worden onderhouden. Ook een woning kan bijvoorbeeld als netwerk worden beschouwd. Een woning bestaat niet zomaar. Er moet veel werk worden verzet voordat een woning ergens staat. En ook wanneer de woning er al staat, blijven er voortdurend werkzaamheden nodig om het netwerk dat de woning vormt, bij elkaar te houden. De inrichting van de woning wordt regelmatig vernieuwd, er wordt geschilderd, er worden reparaties verricht en ook de bewoners wisselen wel eens. Dit is allemaal nodig om de woning een woning te laten worden en blijven. Als een of meer onderdelen wegvallen is de woning niet meer dezelfde woning, en op een gegeven moment zullen we zelfs zeggen dat het overgebleven netwerk helemaal niet meer als woning bestempeld kan worden. Met andere woorden: wanneer het maken en bij elkaar houden van het netwerk stopt, stopt ook de woning te bestaan (vgl. Latour, 2005:35). Deze manier van kijken naar netwerken is vooral nuttig naarmate de complexiteit van het netwerk toeneemt. In de casesstudies die ik heb uitgevoerd blijkt dat dingen zoals automatiseringssystemen, maar ook ouderwetse lijsten op papier, schakels vormen in het netwerk van de implementatie. Zonder dergelijke schakels valt het netwerk al snel uit elkaar. Een voorbeeld zijn de maatregelen die een corporatie bij mutatie wil nemen in een woning. Die worden bij de uitvoerende medewerkers bekend via het primaire automatiseringssysteem. De gegevens worden op hun beurt weer ingevoerd door de afdeling automatisering vanuit een kopie van het beleidsplan. Wanneer een van de onderdelen van dit korte netwerk wegvalt – of dat nu de menselijke onderdelen zijn of de andere onderdelen – zal de implementatie van het beleid spaak lopen, oftewel ophouden te bestaan.
De gerealiseerde maatregelen uit het strategisch voorraadbeleid van de casestudies zijn ook als een netwerk te beschouwen. Eenmaal gerealiseerd neemt zo’n maatregel de vorm aan van een coherent netwerk. Gedurende de implementatie is het netwerk echter voortdurend in beweging (vgl. Law en Hassard, 1999). Aan het begin van het uitvoeringsproces bestaat het netwerk van een maatregel slechts uit enkele zinnen die zijn opgeschreven in een strategisch voorraadbeleid, en een bijbehorende auteur. Gedurende het uitvoeringsproces wordt het netwerk echter steeds sterker en langer. In de beschrijvingen van de cases is te zien hoe onder meer gemeentelijke overheden, begrotingen, subsidies, projectmedewerkers, bakstenen en kalkzandsteen onderdeel kunnen worden van het netwerk van de maatregelen.
Bij netwerken wordt in de eerste plaats vaak gedacht aan een focus op de entiteiten die het netwerk vormen. De ANT-benadering legt echter vooral de nadruk op het aan elkaar knopen van die entiteiten. De termen ‘werknet’ (Latour, 2005:132) en ‘actienet’ (Czarniawska, 2004b) zijn qua betekenis vrijwel gelijk aan de term netwerk, maar benadrukken het actieve deel van de term door dit voorop te plaatsen. Ook in mijn onderzoek ligt de nadruk op de manier waarop de onderdelen van het netwerk van een te implementeren maatregel aan elkaar worden geknoopt, en minder op de onderdelen zelf.
Een andere consequentie van de focus op netwerken is dat het onderzoek zich niet hoeft te beperken tot implementatie binnen een organisatie. ANT trekt zich weinig aan van de grenzen die in de literatuur rondom organisaties worden getrokken. En ook in de praktijk van implementatie worden deze grenzen regelmatig overschreden (O’Toole, 1986, 2000; Mischen, 2007). Het netwerk van de implementatie kan zo dus ook onderdelen van verschillende organisaties omvatten (vgl. Hjern en Porter, 1981).
De overeenkomsten tussen mensen en dingen
Een van de meest opvallende statements van de Actor-Netwerk Theorie is dat het geen a priori onderscheid maakt tussen mensen en dingen (Latour, 2005). Natuurlijk zijn er verschillen tussen mensen en dingen, maar die verschillen zijn volgens ANT geen onveranderbare situatie die voorafgaand aan een onderzoek zomaar als vaststaande feiten kunnen worden aangenomen. Pas in de interactie tussen mensen en dingen komen de verschillen tussen de twee tot stand. In die interactie hebben mensen en dingen invloed op elkaar. De vrijheid van mensen kan bijvoorbeeld beperkt worden door computers en telefoons (Harbers, 1997, 2007; Verbeek, 2000). Aan de andere kant laat Bijker (1995) zien dat er geen sprake is van technologisch determinisme. Mensen kunnen ook de technologische ontwikkelingen beïnvloeden door de keuzes die ze maken. Voor gebouwen geldt hetzelfde (vgl. Gieryn, 2002). Woningcorporaties hebben grote vrijheid om te bepalen hoe zij hun gebouwen willen laten bouwen. Aan de andere kant hebben gebouwen, als ze er eenmaal staan, ook invloed op de woningcorporatie. Bijvoorbeeld doordat een duur gebouw de investeringsruimte voor nieuwe initiatieven beperkt, of omdat de architectonische kwaliteiten van bouwkundig slechte woningen de sloop van die woningen lastiger maakt. En ook op het individuele niveau kunnen gebouwen mensen beïnvloeden. Denk maar eens aan het sick-building syndroom. Of gewoon aan wat iemand wel of niet een mooi en prettig gebouw vindt om in te wonen of werken.
De stelling dat mensen en dingen in staat zijn om elkaar te beïnvloeden, heeft consequenties voor het onderzoek. Om de symmetrie tussen mensen en dingen op dit punt te benadrukken gebruikt Latour (2005) de term actant. Deze term is afkomstig uit de semiotiek en betekent daar “that which accomplishes or undergoes an act” (Greimas en Courtés, 1982:5). Een actant kan zowel een mens, een ding als een dier of een concept zijn. Het onderzoek beperkt zich niet tot de menselijke actanten, maar tracht juist alle actanten die van belang zijn voor het uitvoeringsproces op een gelijkwaardige manier in beeld te brengen. De toegevoegde waarde van het gebruik van het begrip actant ligt in de mogelijkheid om de invloeden die mensen en dingen hebben op het uitvoeringsproces op een gelijkwaardige manier te beschrijven.
Volg de actanten
Een belangrijke manier om vooroordelen en veronderstellingen die een verstorende werking kunnen hebben te vermijden, is het bekijken van de cases door de ogen van de betrokkenen. Op deze manier kan het netwerk van betrokken actanten in kaart worden gebracht. De literatuur over implementatie kan daarbij verstorend werken. Deze literatuur wordt tijdens het veldwerk dan ook – tijdelijk – terzijde geschoven.
In plaats van vanuit een helikopterview een globaal beeld van de situatie te schetsen, wil ANT naast elke betrokkene staan om een gedetailleerd beeld vanuit meerdere gezichtspunten te kunnen geven (Latour, 1996). Dat is, zoals Czarniawska en Joerges (1996:15) het verwoorden, niet omdat de betrokkenen het beter weten, maar omdat ze het weten. Binnen het implementatieonderzoek wordt het belang hiervan onderkend. Onderzoekers die negeren hoe betrokkenen bij de implementatie hun eigen omstandigheden beoordelen, lopen grote kans om belangrijke delen van de verklaring voor het onderzochte uitvoeringsproces te missen (O’Toole, 2000:269). Na afloop van het onderzoek per case komt de literatuur weer in beeld, en wordt de data uit de cases daarmee verbonden.
Afbakening van de cases
Binnen het onderzoek is gekozen voor een meervoudige casestudie. De reden voor die meervoudigheid is dat analytische generalisatie daardoor gemakkelijker wordt (Patton, 1980; Yin, 2009). In totaal worden vier cases onderzocht. Elke casestudie wordt uitgevoerd bij één woningcorporatie. Een case omvat de uitvoeringsprocessen van enkele geselecteerde maatregelen uit het strategisch voorraadbeleid van die corporatie. Deze processen worden in principe onderzocht vanaf het moment waarop de eerste ideeën ontstonden in het voorraadbeleid, tot het moment waarop projecten worden opgeleverd dan wel gestopt. Door meerdere cases te kiezen, en binnen de cases meerdere processen te volgen, wordt de interne validiteit van het onderzoek versterkt (Segers, 1999:354).
Waar implementatieonderzoek precies moet beginnen is onderwerp van discussie (Hill en Hupe, 2009:139-142). Dit punt hangt sterk samen met de verschillende definities van beleid en implementatie. De grens tussen wat nog het maken van beleid genoemd kan worden, en wat uitvoering van beleid is, bleek daar al niet eenduidig. In het onderzoek is vanuit praktisch oogpunt steeds begonnen bij een vastgesteld strategisch voorraadbeleidsplan. Gebaseerd op de ANT-benadering is dit in het onderzoek niet als een harde grens gehanteerd. Gebeurtenissen voorafgaand aan de vaststelling van het strategisch voorraadbeleid worden wel meegenomen in de beschrijving wanneer ze een directe relatie hebben met gebeurtenissen tijdens het proces.
Een ander discussiepunt bij het ontwerpen van implementatieonderzoek is de vraag hoe wordt omgegaan met de scheidslijnen tussen organisaties. Veel onderzoek is gedaan op het niveau van één organisatie (Mischen, 2007:553). Bij complexe uitvoeringsprocessen is het echter meer regel dan uitzondering dat er meerdere organisaties bij het proces betrokken zijn (O’Toole, 1986:182). Dat is de reden dat een aantal auteurs heeft gepleit voor het beschrijven van implementatie in termen van netwerken (Scharpf, 1978; De Bruijn en Ten Heuvelhof, 1991, 1999; Koppenjan en Klijn, 2004). Zoals hierboven aangegeven kan het netwerk van implementatie worden beschreven op basis van de principes van de Actor-Netwerk Theorie.
Een derde thema met betrekking tot de reikwijdte van implementatieonderzoek is het einde van het uitvoeringsproces. In mijn promotieonderzoek worden uitvoeringsprocessen gevolgd tot en met de oplevering van concrete maatregelen uit het strategisch voorraadbeleid. Daarmee wordt de weg van input naar output bekeken. Beleid wordt echter in de eerste plaats op haar outcome beoordeeld (vgl. Schalock, 2001). Ook Van Meter en Van Horn (1975:449) stellen dat een beleid weliswaar volledig geïmplementeerd kan zijn, maar dat dat nog niet hoeft te betekenen dat de geïmplementeerde maatregelen ook de gewenste vruchten afwerpen. De reden om dit niet bij het implementatieonderzoek te betrekken is dat de outcome niet alleen wordt bepaald door de mate van implementatie, maar ook door een heleboel factoren die niets met de implementatie van doen hebben (Hill en Hupe 2009:137). Het einde van het uitvoeringsproces is dan ook niet de outcome, maar de output van een beleid. In de cases gaat het dan concreet om de oplevering van concrete maatregelen uit het strategisch voorraadbeleid, danwel het besluit om de uitvoering van het beleid stop te zetten.
Selectie van de cases
Voorafgaand aan het daadwerkelijke case-onderzoek is uiteraard gezocht naar geschikte corporaties. Een eerste selectie is gemaakt op basis van praktische randvoorwaarden. De corporaties die meedoen aan het onderzoek moeten uiteraard beschikken over een strategisch voorraadbeleid. Ook moet de intentie aanwezig zijn om het beleid te implementeren. Wanneer dat niet zo is kan de verleiding groot zijn om vingerwijzend te concluderen dat de implementatie heeft gefaald (Hill en Hupe, 2009:140). Meer zinvolle conclusies kunnen echter getrokken worden over beleid waarbij de intentie tot implementatie wel bestaat. Om dit te borgen worden er een aantal eisen aan beleid en uitvoering bij de deelnemende corporaties gesteld. De aanwezigheid van globale doelen in de vorm van een missie, visie en portfoliodoelstellingen, en concrete maatregelen in de vorm van exploitatielabels zijn de minimale vereisten die aan het strategisch voorraadbeleidsplan worden gesteld. Ook moet het mogelijk zijn om enkele projecten van initiatief tot oplevering te volgen. Het uitvoeringsproces van die projecten moet iets kunnen zeggen over de manier waarop het strategisch voorraadbeleid is uitgevoerd. Vanwege de doorlooptijd van grote projecten moet het strategisch voorraadbeleid minimaal zo’n 5 jaar oud zijn.
Binnen de groep van corporaties die voldoet aan de praktische randvoorwaarden is op methodologische gronden een verdere selectie gemaakt. Cases kunnen, afhankelijk van het onderzoeksdoel, worden geselecteerd op basis van vijf verschillende uitgangspunten (Patton, 1980:105; Segers, 1999:355). Ten eerste kan een selectie van extreme of deviante gevallen kan worden gemaakt om inzicht te krijgen in afwijkingen van de ‘normale’ situatie. Een tweede uitgangspunt is te kiezen voor typerende gevallen. Daar wordt volgens Patton voor gekozen om de ‘normale’ situatie inzichtelijk te maken. Het derde uitgangspunt is maximumvariatie. Voor het vinden van algemeen geldende patronen wordt veelal gekozen voor dit uitgangspunt. De gekozen cases zijn dan zodanig verschillend van elkaar dat ze samen een groter deel van de totale populatie dekken. Het omgekeerde geldt bij het vierde uitgangspunt: minimumvariatie. Deze manier van case selectie wordt toegepast als het onderzoek meer op overeenkomsten tussen vergelijkbare cases gespitst is. De vijfde en laatste uitgangspunt is kiezen voor kritische gevallen. Hierbij is dan de redenering dat wanneer bepaalde patronen zich (zelfs) in een kritische situatie voordoen, deze zeker in een ‘normale’ situatie van toepassing zijn. Mijn onderzoek is erop gericht om uiteindelijk ook praktische aanbeveling te doen die ook door andere dan de onderzochte corporaties kunnen worden toegepast. Daarom ligt het voor de hand om cases zo te selecteren dat een grote mate van maximumvariatie wordt verkregen. Met een maximumvariatie kan eerder sprake zijn van het generaliseren van uitspraken naar een groter toepassingsbereik.
Tijdens het selectieproces is voor het verkrijgen van maximumvariatie vooral gekeken naar de omvang van de corporaties in aantal verhuureenheden, en naar verschillen in de aard van het werkgebied. Uiteindelijk zijn er vier corporaties geselecteerd: Leyakkers uit Rijen, Bo-Ex uit Utrecht, Vestia Rotterdam Noord (onderdeel van Vestia Groep) en een anonieme corporatie die wordt aangeduid met de gefingeerde naam Groenveld Wonen. Van de onderzochte corporaties werken Groenveld Wonen en Leyakkers in het landelijk gebied. Het bezit van Bo-Ex en Vestia Rotterdam Noord bevindt zich in stedelijk gebied. Vestia Rotterdam Noord heeft als onderdeel van Vestia Groep te maken met overkoepelend beleid, en met een gezamenlijke projectontwikkelaar van Vestia. De corporaties verschillen sterk in omvang. Groenveld Wonen bezit ongeveer 2.300 woongelegenheden, Leyakkers 6.400 en Bo-Ex 8.300. Vestia Rotterdam Noord beheert 7.100 wooneenheden. Vestia Groep heeft in totaal 72.000 woongelegenheden in bezit. In het proefschrift heb ik ter kennismaking met de vier onderzochte corporaties een aantal gegevens uit openbare bronnen opgenomen die een eerste indruk geven van de variatie tussen de cases en andere corporaties in de sector.
De onderzochte corporaties zijn gevonden via internet en de netwerken van TU Delft-onderzoekers. Op basis van informatie op hun websites en in jaarverslagen is bekeken of de gevonden corporaties aan de gestelde randvoorwaarden voldeden. Corporaties die op basis van deze informatie geschikt leken zijn benaderd voor een intakegesprek. Met zes corporaties is een intakegesprek gevoerd. Dit gesprek is benut om nader in te gaan op de randvoorwaarden voor deelname aan het onderzoek. In het gesprek is verder aan de orde geweest wat het onderzoek inhoudt, en welke concrete projecten binnen de casestudie kunnen worden bekeken. Op basis van de intakegesprekken viel één corporatie af omdat bleek dat deze niet in voldoende mate voldeed aan de hierboven gestelde randvoorwaarden. Een andere corporatie zag zelf af van deelname omdat men daar de tijdsinvestering in het onderzoek te groot vond.
In overleg met vertegenwoordigers van de geselecteerde corporaties is steeds een aantal projecten gekozen die de implementatie van het strategisch voorraadbeleid bij de betreffende corporatie zo goed mogelijk in beeld brengen. Daarbij is vooral gezocht naar een zo breed mogelijk palet aan verschillende typen maatregelen binnen de praktische mogelijkheden van de onderzochte corporaties. Naarmate de omvang van de corporatie groter is en het strategisch voorraadbeleid langer in gebruik is, zijn de keuzemogelijkheden groter. Er zijn ook een aantal maatregelen in het onderzoek opgenomen die niet direct uit het beleid voortkomen. Het bestuderen van deze maatregelen is nuttig omdat zij vaak wel een relatie hebben met het (zich ontwikkelende) strategisch voorraadbeleid, of juist iets kunnen zeggen over de afwezigheid van die relatie.
Dataverzameling binnen de cases
In het algemeen zijn documentatie, archieven, interviews, directe observatie, participerende observatie en objecten de meest gebruikte bronnen bij casestudies (Yin, 2009:101). Binnen implementatieonderzoek wordt veel informatie uit de eerste hand verzameld met behulp van semigestructureerde interviews met betrokkenen, focusgroepen en participatieve observatie (Werner, 2004:6). In mijn onderzoek is vooral gebruik gemaakt van documenten en interviews. Documenten zijn vooral belangrijk om data, betrokkenen en sleutelmomenten van het uitvoeringsproces te achterhalen. Daarnaast kunnen documenten ook gebruikt worden om interpretaties en reacties van betrokkenen op sleutelmomenten te achterhalen (Yin, 1982:46). De documenten vormen daarnaast een voorbereiding op de interviews. In de interviews kunnen aanvullende feiten en meningen van betrokkenen worden verzameld (ibid, 1982:44).
Bij de keuze voor onderzoeksmethoden speelt mee dat het inzetten van meerdere methoden een van de middelen is waarmee tot triangulatie van data kan worden gekomen. Triangulatie is belangrijk om de validiteit van de data te waarborgen (Yin, 2009:40). Door de resultaten van het onderzoek te baseren op zowel informatie uit documenten als interviewdata, wordt zo veel mogelijk voorkomen dat een door de methode veroorzaakte vertekening van de data in de eindresultaten terechtkomt.
De mogelijkheid om volledige uitvoeringsprocessen op onderling vergelijkbare wijze in beeld te brengen is ook sterk van invloed op de keuze voor documenten en interviews. Omdat de onderzochte processen de doorlooptijd van mijn onderzoek overschrijden is observatie (direct of participatief) niet van begin tot einde van het uitvoeringsproces mogelijk. Vanwege de gewenste vergelijkbaarheid van informatie uit verschillende delen van het proces heb ik ervoor gekozen om deze methode niet als volwaardig onderdeel van het case-onderzoek op te nemen. Overigens is in de praktijk wel op kleine schaal van deze methode gebruik gemaakt. Tijdens het onderzoek bij de corporatie heb ik aantekeningen gemaakt van zaken die ter plekke opvielen, of die tijdens informele gesprekken met medewerkers naar voren kwamen. Deze aantekeningen zijn gebruikt bij beslissingen over het zoeken van informatie in documenten, bij het bepalen van de relevantie om bepaalde betrokkenen te benaderen voor een interview, en als input voor vragen tijdens de interviews.
Documentenstudie
Bij alle cases is begonnen met het analyseren van documenten uit het archief van de corporatie. Bij drie corporaties was er sprake van een omvangrijk centraal archief waar het grootste deel van de relevante documenten te vinden was. Daarnaast is veelvuldig gebruik gemaakt van persoonlijke archieven van corporatiemedewerkers. Bij Bo-Ex was het centrale archief zeer beperkt van omvang, en is voornamelijk van persoonlijke archieven gebruik gemaakt. Daarnaast zijn onder meer lokale en regionale kranten en publicaties van de gemeente als bron gebruikt. Een globaal overzicht van de gebruikte bronnen per corporatie is te vinden in bijlage 1.
De chronologie van de gebeurtenissen is bij het verzamelen van documentatie als kapstok gebruikt. Informatie uit de documenten die betrekking heeft op het uitvoeringsproces is daarvoor in een database opgenomen. Aan elk stukje informatie is de datum gekoppeld waarop de informatie betrekking heeft. Daardoor is het mogelijk de informatie op datum te sorteren. Zo wordt duidelijk waar nog gaten zitten en welke vragen de informatie nog oproept. De documentenstudie is daarmee tevens een goede voorbereiding op de interviews, die in de volgende fase van het onderzoek centraal staan. Ook tijdens de interviews zijn nog een beperkt aantal aanvullende documenten in beeld gekomen. Deze zijn eveneens in de database opgenomen en gebruikt bij het verdere onderzoek.
Interviews
Betrokkenen die (veelvuldig) in de documenten voorkomen, zijn als eerste benaderd om door middel van een interview mee te werken aan het onderzoek. Bij latere interviews is hiervoor ook de informatie uit reeds afgenomen interviews gebruikt. Bij de interviews gaat het erom om de chronologische reconstructie die op basis van de documenten is gemaakt, aan te vullen en te verduidelijken. In de interviews kunnen zowel feiten als meningen van betrokkenen worden verzameld (Yin, 1982:44). De interviews kennen een semigestructureerd verloop met vrijwel uitsluitend open vragen.
Bij het voorbereiden van de interviews is ervoor gekozen om de vragen voor elke respondent afzonderlijk te bepalen. Dit is gedaan om de volgende redenen. Ten eerste zijn sommige respondenten maar een beperkte periode bij het uitvoeringsproces betrokken geweest. De vragen betroffen in eerste instantie alleen deze periode. Ook de rollen die respondenten binnen het onderzochte uitvoeringsproces hadden beïnvloedde de vraagstelling. Dit verschilde sterk per respondent. De onderzochte processen zijn zo omvangrijk, dat het onmogelijk is dat één respondent het gehele proces op een gedetailleerde manier volledig kan overzien. Binnen het onderzoek is het bovendien belangrijk om zicht te krijgen op manier waarop betrokkenen hun eigen situatie beoordelen (vlg. O’Toole 2000:269). Daarom zijn de vragen steeds afgestemd op het deel van het proces dat de respondent vanuit zijn specifieke positie kan beoordelen. Welk deel van het proces dit is wordt grotendeels duidelijk tijdens de documentenstudie. Ook tijdens het interview kan echter nog naar voren komen dat de respondent bepaalde vragen niet of juist wel kan beantwoorden. Tot slot is er nog een derde aspect dat de vraagstelling beïnvloedde. Elk interview beantwoordt vragen, maar roept soms ook nieuwe vragen op. Deze nieuwe vragen zijn weer meegenomen in latere interviews. Nieuwe vragen kunnen er bovendien toe leiden dat respondenten worden gevraagd om aan een tweede interview mee te doen. Bij alle cases was dit bij een beperkt aantal respondenten het geval.
Van elk interview is een verslag gemaakt. Dit verslag is steeds voorgelegd aan de respondent. Een aantal respondenten heeft naar aanleiding daarvan nog aanvullende opmerkingen gemaakt. Na het verwerken van deze opmerkingen zijn de interviewverslagen gebruikt in het verdere onderzoek.
Beschrijven van de uitvoeringsprocessen
Wanneer in interviews geen relevante nieuwe informatie meer boven tafel komt, begint de schrijffase. De informatie die na het uitzoeken van documenten en het houden van interviews ter beschikking staat, is zo omvangrijk dat deze data op een of andere manier gesorteerd moet worden om het overzicht te behouden. Voor het sorteren van data zijn verschillende mogelijkheden beschikbaar. Zo kan bijvoorbeeld gesorteerd worden op vooraf of tijdens het sorteerproces te bepalen thema’s (vgl. Van der Heijden, 2009). Aansluitend bij ANT is er in dit geval voor gekozen om het aantal aannames vooraf zoveel mogelijk te beperken. Daarom is de informatie uit de documenten in eerste instantie niet thematisch, maar slechts chronologisch gesorteerd. Dit sluit ook aan bij de aanname die in mijn onderzoek wel vooraf wordt gedaan, namelijk dat beleidsimplementatie als een proces in de tijd kan worden gezien. Het chronologisch in kaart brengen van het uitvoeringsproces is dan belangrijk omdat invloedsfactoren van fase tot fase kunnen verschillen (Van Meter en Van Horn, 1975:474; Teisman, 1995).
De chronologisch gesorteerde informatie uit de documentenanalyse vormt de basis bij het beschrijven van de cases. De informatie uit de interviews is in de beschrijving gebruikt ter aanvulling op deze basisinformatie. De informatie uit zowel de documenten als de verslagen van de interviews is doorzoekbaar gemaakt. Nadat de chronologie was bepaald kon hierdoor aanvullend op onderwerp worden gezocht in alle beschikbare empirische data. De gebruikte zoekwoorden hangen af van de onderwerpen die in de documenten en interviewverslagen naar voren komen, en verschillen daarom van case tot case. Op deze manier kan een onderwerp uit een interview of document snel vanuit verschillende informatiebronnen worden bekeken.
Er is nog een reden om een chronologische beschrijving te hanteren. Hierdoor kunnen de onderzochte uitvoeringsprocessen namelijk op een verhalende, of narratieve manier worden gepresenteerd. Een narratieve benadering heeft als voordeel dat het op zichzelf een bijdrage levert aan het beantwoorden van de vragen die in mijn onderzoek centraal staan. Een narratieve benadering kan inzicht geven in hoe- en waaromvragen die met andere onderzoeksmethoden onbeantwoord blijven (Lieblich et al., 1998:9; Czarniawska, 2004a:6-10; O’Reilly, 2005). Vooral het complexe samenspel van factoren die de implementatie beïnvloeden (vgl. Bressers en Ringeling, 1995:135) kan goed in beeld worden gebracht door middel van deze benadering.
In de uiteindelijke beschrijvingen zoals die in het proefschrift zijn opgenomen is vanwege de leesbaarheid de chronologie soms opzij gezet voor een behandeling per onderwerp. Dit is bijvoorbeeld het geval bij parallelprocessen die slechts op een of enkele momenten in het uitvoeringsproces bij elkaar komen. In de beschrijvingen zijn geen citaten van respondenten gebruikt. Hiervoor is gekozen om de anonimiteit van de respondenten zoveel mogelijk te waarborgen. Na voltooiing van een eerste versie van de beschrijving is bij elke case steeds het overzicht van informatie uit de documenten en de interviewverslagen nog eens doorgenomen om te controleren of alle relevante informatie in de beschrijving is terechtgekomen. Daarnaast zijn de conceptbeschrijvingen van de vier cases steeds voorgelegd aan de respondenten. Ook is steeds een workshop gehouden met respondenten om de conceptresultaten te presenteren en reacties mogelijk te maken. Bij alle cases heeft een groot deel van de respondenten van de mogelijkheid tot feedback gebruik gemaakt. Dit heeft steeds geleid tot kleine verbeteringen en aanvullingen van de beschrijvingen.
Analytische generalisatie
Een belangrijke discussie bij het doen van casestudies gaat over de vraag in hoeverre op basis van de bevindingen bij, in dit geval, vier corporaties conclusies kunnen worden getrokken die ook voor andere corporaties, maatschappelijke organisaties en overheden relevant zijn. Hieronder ga ik in op analytische generalisatie, een techniek waarmee de resultaten van casestudies via een koppeling met bestaande theorie een breder toepassingsbereik krijgen.
Er zijn twee vormen van generalisatie: statistische en analytische generalisatie (Yin, 2009:38-39). Bij statistische generalisatie kan een steekproef, mits zorgvuldig geselecteerd, naar een populatie worden gegeneraliseerd. Op deze wijze kan worden onderzocht in welke mate (welk percentage) van een populatie bepaalde eigenschappen vertoont. Bij casestudies is het vinden van dergelijke getallen echter niet het doel van het onderzoek. Casestudies zijn wel op een andere manier geschikt om data naar een breder theoretisch kader te generaliseren (Segers, 1999:354; Flyvbjerg, 2007; Yin, 2009:38-39). Dit kan door middel van analytische generalisatie, ook wel theoretische generalisatie genoemd. Analytische generalisatie houdt in dat de resultaten uit een of meerdere cases in verband worden gebracht met de bestaande literatuur over het betreffende onderwerp. Hierbij kan de data uit de cases de bestaande theorie versterken, nuanceren en aanvullen (vgl. ook Mitchel, 1983 en Seale, 1999:109-113). Volgens Mitchel (1983:207) is de mogelijkheid tot generalisatie vooral afhankelijk van de overtuigingskracht van de theoretische redenering. Analytische generalisatie wordt inmiddels in veel onderzoeken toegepast (zie bijvoorbeeld Ganzevles, 2007; Janssen-Jansen, 2004; Hoogenstijn en Van Middelkoop, 2008).
Het selecteren van de cases speelt een belangrijke rol bij het vergroten van de mogelijkheden tot analytische generalisatie (Flyvbjerg, 2007:395-398; Yin, 2009:39). Hierboven ben ik al ingegaan op de keuze voor een maximumvariatie tussen de cases in mijn onderzoek. Ook het aantal cases speelt een rol bij de mogelijkheid tot analytische generalisatie. Hoe meer cases, hoe meer analytische generalisatie in beeld komt (Segers, 1999:354). In mijn proefschrift heb ik analytische generalisatie toegepast door het verbinden van de data uit de cases met de literatuur over beleidsimplementatie.
De literatuurverwijzingen op deze pagina zijn te vinden in de literatuurlijst van mijn proefschrift.
LinkedIn: zakelijk profiel
Twitter: mijn laatste tweets
Facebook: auteurspagina
Flickr: mijn laatste foto's
Youtube: mijn laatste video's
Scribd: mijn laatste artikelen